Artikel gepubliceerd op: 6 februari 2008
Vuur spreekt tot de verbeelding. Wie van ons heeft als kind niet eens geprobeerd een fikkie te stoken? Of toch op zijn minst toegekeken hoe een stoer vriendje dat deed. Met een aansteker of een paar lucifers is vuur maken een fluitje van een cent. Vroeger was dat wel anders. Toen moesten de mensen heel wat meer moeite doen om een vuur aan het branden te krijgen.
Wanneer mensen geleerd hebben vuur te maken, is niet precies duidelijk. Vuur is er immers altijd geweest. Op een natuurlijke manier ontstond het door bijvoorbeeld blikseminslagen en vulkaanuitbarstingen. Vuur is altijd bijzonder belangrijk geweest voor de menselijke ontwikkeling. Het zorgde voor warmte en licht, je kon ermee koken en allerhande materialen mee bewerken. Al snel ontdekten mensen dat het handig was dit vuur mee te nemen naar andere plaatsen. Vuur was een uitstekend ‘wapen' bij de jacht: brand een stuk land plat en het wild vlucht ... recht in de handen van de jagers. Ook brandden stammen bos plat voor het bouwen van nederzettingen en het verkrijgen van vruchtbare landbouwgrond.
Als je zelf geen vuur kunt maken, is het erg onhandig als het vuur dooft. En dus doken er al snel ‘vuurbewaarders' op. Hun taak was het om het vuur altijd brandend te houden. Wanneer een stam naar andere streken trok, bijvoorbeeld omdat daar meer voedsel voorhanden was, namen zij het vuur mee. Dit gebeurde met behulp van een stok of gloeiende kool. Ze werden ware vuurspecialisten. Zelfs over grote afstanden wisten ze vuur te vervoeren zonder dat het doofde. Wanneer dit onverhoopt toch eens gebeurde, was er natuurlijk een probleem. Wat dan? Je kon iemand zoeken die zijn vuur wilde delen - of het stelen van anderen. Niet gek dus dat mensen op zoek gingen naar manieren om zelf vuur te ‘maken'.
Archeologen schatten dat het zo'n 500.000 jaar geleden is dat de mens zelf de kunst van het vuur maken leerde. Haarden komen we pas bij de Neanderthalers tegen (150.000-300.000 jaar geleden). De eerste reproduceerbare manieren om vuur te maken, waren gebaseerd op frictie. Mensen ontdekten dat als je maar snel en lang genoeg wrijft, zoveel warmte ontstaat dat je er licht ontvlambare materialen mee kunt aansteken. In de prehistorie kenden ze twee manieren: droog hout wrijven en stenen tegen elkaar slaan.
Wanneer je twee stukken hout langs elkaar wrijft, komt er veel hitte vrij en ontstaat een soort houtpoeder. Door te blazen gaat de smeulende massa gloeien. Als je zorgt dat er tondel onder ligt, gaat ook die gloeien. Tondel is een licht ontvlambaar materiaal, bijvoorbeeld lisdoddenpluis, de hoed van de tondelzwam, of niet geheel verkoold linnen of katoen. Op deze manier maakten mensen in de prehistorie hun eerste vuren.
Een andere manier van prehistorisch vuur maken, is het vuur slaan met behulp van stenen. Daarvoor is een aambeeld nodig, een tondel en een vuurslag. Dit laatste is een stuk staal waarmee je vonken uit een vuursteen slaat. Er zijn twee manieren: de slagijzermethode en de zwavelkiesmethode. Bij de slagijzermethode schamp je met een vuurslag over een steen. De vonken die daarbij ontstaan zorgen, in combinatie met de tondel, voor vuur. Bij de zwavelkiesmethode sla je geen vonken, maar maak je gebruik van wrijving. De deeltjes die van de steen loslaten, verbranden meteen door het hoge ijzer- en zwavelgehalte.
Zin gekregen om zelf vuur te maken? Zorg dan voor een dosis geduld, regel een vuursteen of haardblok en ga op zoek naar de tondelzwam*. Deze laatste vraagt wel om een speciale behandeling. In laagjes gesneden en goed gedroogd, week je die voor gebruik het beste in paardenurine. Iets te omslachtig? Kies dan gewoon voor een kachel of haard. Lucifer erbij, knop omdraaien en ... heerlijk genieten bij een behaaglijk vuur.
* Verboden te plukken in openbare natuurgebieden.
Zie ook: