Artikel gepubliceerd op: 12 maart 2008
De Hongerwinter in Nederland. Brandstof is schaars. Toch hebben de mensen behoefte aan warmte en willen ze kunnen koken. Noodkacheltjes duiken op. Voor velen zijn ze een belangrijk middel om de zware, strenge winter door te komen.
In de Tweede Wereldoorlog stagneert de aanvoer van kolen en gas. Vooral in de laatste oorlogsjaren is de schaarste van brandstof een groot probleem. Kaarsen nemen de plaats in van lampen. Als ook daar de voorraad van opraakt, worden mensen nog inventiever. Ze sluiten bijvoorbeeld een dynamo aan op een fiets. Hele gezinnen trappen zo heel wat af om stroom op te wekken. Ook voor de kachel moet een oplossing komen. Er is te weinig brandstof om gewone kachels te laten branden. Vele mensen knutselen zelf een kacheltje in elkaar van resten plaatijzer om er hun eten op te koken.
De meeste noodkacheltjes bestaan uit een buis met een doorsnee van 25 tot 30 centimeter en hebben een hoogte van 30 tot 40 centimeter. Aan de voorkant kan een deurtje zitten. Ze zijn iets groter dan de zogenaamde ‘wonderkacheltjes'. Die konden met nog minder brandstof toe. Vaak was het niet meer dan een pijp, aan de onderkant open, met een metalen roostertje erop. Om het vuur op te stoken, gebruikten mensen werkelijk alles wat maar branden kon. Een paar takjes was al genoeg om wat water op te warmen. De meest eenvoudige uitvoering van de wonderkachel is het conservenblik met onderin een gat.
De Hongerwinter heeft die naam niet voor niets. Lang niet iedereen had voldoende voedsel om te overleven. Gedreven door honger maakten vele stadsbewoners (vooral uit Utrecht, Noord- en Zuid-Holland) lange tochten naar boeren op het platteland. Daar ruilden ze dingen als sieraden, kleding en servies tegen aardappelen en andere groenten. Sommigen verzamelden tijdens deze ‘hongertochten' ook sprokkelhout. Door het tekort aan brandstof waren de bomen in de eigen tuin inmiddels gekapt en gingen mensen elders op zoek naar hout. Langs de openbare weg, in parken en plantsoenen, nergens waren de bomen nog veilig. Zelfs bruggetjes en parkbankjes moesten eraan geloven.
De jacht op brandstof kende geen grenzen. Eigen meubels werden opgestookt, maar ook de bankjes uit verlaten
schoolgebouwen, bielzen van de spoorrails en trapleuningen. In Amsterdam werden de houten vloeren gesloopt uit huizen waar Joden woonden voordat zij naar concentratiekampen werden afgevoerd. Na de ontdekking dat ook de beteerde houten blokjes tussen de tramrails goed brandden, waren zelfs die niet meer veilig. En de trams reden toch al niet meer. Bomen, struiken en alles wat verder maar brandbaar was, namen de mensen mee om thuis hun noodkacheltjes te stoken. Dit alles in hun strijd tegen honger en kou.
Houtsplinters, sprokkelhout, oude kranten, papiersnippers, kolengruis ... niets van dit alles is de noodkachel vreemd. In Koken en stoken, een van de bekendste boekjes uit de oorlogstijd, lezen we dat er ook wel eens iets minder voor de hand liggends in verdween:
De noodkachel, een technisch wonder,
mist nog die pijp, dus dan maar zonder.
Het laatste hout gaat in 't fornuisje,
ten slotte zelfs ... ons vogelhuisje.
----------------------
Meer weten over noodkacheltjes?
Nederlands Kachelmuseum
Bierkade 10, Alkmaar
www.kachelmuseum.nl